
In een toespraak voor de Rooms-Katholieke Arbeidersvereniging in 1932 riep mijn oudoom Willem Koenraadt op tot de afschaffing van het “grootkapitaal” en een terugkeer naar de beroepsgroepen uit de middeleeuwen. Daarnaast hekelde hij “kleingeestige staatsbemoeienis” en spoorde hij arbeiders aan om hun “blik uitsluitend op de toekomst” te richten en “over te gaan tot daden”. Hoewel hij in de jaren dertig schreef – en dus nog niet op de hoogte kon zijn van de enorme macht van het Amerikaanse kapitalisme dat Europa in de periode na de Tweede Wereldoorlog tot op de dag van vandaag in zijn greep zou houden – is dit nu het moment om Koenraadts ideeën voor een vernieuwde maatschappelijke orde in de praktijk te brengen.
Stoffelijke nood is erg; maar veel erger nog is het, dat in deze heidensche wereld zoovele zielen verloren gaan.—Willem Koenraadt
Naar een nieuwe wereldorde
Is er wel duidelijker bewijs, dat de menschheid van onze dagen met slavenketenen is vastgekluisterd aan ontredderende beginselen, dan het verloop zelf van de crisis, die de wereld de laatste jaren teistert?
De noodkreten van groepen en volkeren zijn aldoor dringender en menigvuldiger geworden; besprekingen en beraadslagingen, in nationaal en in internationaal verband, hebben elkaar sinds geruimen tijd als het ware zonder tusschenpoozen opgevolgd. En met dat al staan we nu aan den rand van den afgrond. “Een wereld en een stelsel stort in elkander”, zoo zeide de Engelsche minister-president MacDonald in zijn openingsrede voor de conferentie van Lausanne. En waarom? Omdat de ontspanning en verlossing brengende daden zijn uitgebleven. Men heeft gepraat, gedelibereerd, ja, keer op keer, maar men kwam nooit tot doelmatige beslissingen en daden, omdat de beginselen, waardoor de staatslieden zich lieten leiden, de basis, waarop zij de onderhandelingen voerden, niet of althans niet aan alle zijden deugdelijk waren.
Heeft Albert Thomas, de zoo betreurde directeur van het Internationaal Arbeidsbureau, niet nog in zijn laatste groote redevoering een scherpe en indrukwekkende aanklacht gericht tegen de regeeringen om haar gemis aan doeltreffende besluiten, op den heropbloei van de wereldwelvaart berekend?
En door dit vermaan om daden heeft Thomas veel meer bedoeld dan het slagen der conferenties van Genève en Lausanne, veel meer dan een ingrijpende vermindering der bewapening en de schrapping van de herstelschulden. Hij wilde zeker niet minder de noodzakelijkheid uitdrukken van de stelselmatige ordening van het economisch leven. Want in de resolutie, door de jongste internationale arbeidsconferentie aangenomen, wordt de aandacht van den Volkenbondsraad en van alle leden van de internationale organisatie van den arbeid en van den Volkenbond onder andere voor dit punt gevraagd: “dat de vraagstukken van productie en handel door de regeeringen, met medewerking van de vertegenwoordigers der meest representatieve organisaties van werkgevers en arbeiders, aan een onderzoek onderworpen worden, teneinde tot internationale overeenkomsten te komen, die het mogelijk zullen maken het economisch leven te herstellen op de basis van groote gemeenschappelijke plannen”. (De internationale Christelijke Vakbeweging, 1932, 74.)
Inderdaad, “een wereld en een stelsel stort in elkander”. Zeker, vermindering van de bewapening en schrapping van de herstelschulden vormen een gewichtig goed in het raam van den nood dezer tijden. Men kan ze noemen noodzakelijk te vervullen voorwaarden, opdat de opbouw mogelijk worde.
Maar schulduitwissching en besparing op bewapening hebben als zoodanig slechts negatieve uitwerking. Hopelijk zal daardoor open baan worden gemaakt voor de herleving van het nu zoo geschokte vertrouwen in het crediet- en productiewezen, wat weer den stoot zou moeten geven aan de hervatting, nationaal en internationaal, van het crediet- en goederenverkeer. Maar op welke grondslagen dit laatste moet geschieden, daaromtrent wordt door die schrapping of vermindering van schulden verder niets meer beslist en voor den blijvenden opgang, voor het definitief herstel komt het juist hier op aan.
Want de oorlog en zijn gevolgen hebben zeker aanzienlijk bijgedragen tot de bespoediging en verscherping, tot de acute verschijning van de economische crisis, waarvan wij thans getuigen en slachtoffers zijn, maar de eigenlijke oorzaak ligt veel en veel dieper, moet gezocht worden in de ontwikkeling van het stelsel, waarop het sociaal-economisch leven de laatste honderd jaren is opgetrokken geweest.
Dit duidelijk, diepgaand en gezagvol in het licht te hebben gesteld, is zeker niet de geringste verdienste van de encycliek Quadragesimo Anno en heeft voor de noodtijden, die wij thans doormaken, zeer bijzondere beteekenis.
Want wie eenigszins op de hoogte is van de geschiedenis, die op sociaal-economisch gebied is doorgemaakt, en zeker degenen, die midden in den strijd hebben gestaan, kunnen op de vingers uittellen, dat het in de naaste toekomst niet zal ontbreken aan hardnekkige, krampachtige pogingen om de practijk van het economisch leven op de oude grondstellingen te reconstrueeren. En dit moet, koste wat het kost, voorkomen worden.
Te dien einde is het van groot belang om datgene, wat Quadragesimo Anno leert over het thans vigeerende sociaal-economisch systeem, telkens en telkens van de daken te verkondigen.
Juist nu, nu door iedereen aan den lijve wordt gevoeld, nu met de handen tastbaar is, hoever het tegenwoordige stelsel, om de gebreken, die er aan kleven, verwijderd blijft van zijn doel, de algemeene volkswelvaart, juist nù is het de geschikte tijd die leeringen van Quadragesimo Anno in hoofden en harten in te hameren en zoo een geweldige stuwing te vormen naar de noodzakelijke veranderingen.
De schuldige
De misstanden, die wij op maatschappelijk en economisch gebied thans zoo betreuren, wijt Quadragesimo Anno geenszins hieraan, dat zij, die den arbeid praesteeren, niet tevens bezitters zijn van de kapitaalgoederen, van de productiemiddelen, maar wel aan het feit dat, en aan de mate, waarin zij, die het kapitaal in handen hebben, van hun economische machtspositie misbruik hebben gemaakt, om heel het economisch leven naar eigen wensch en naar eigen voordeel te richten, zonder daarbij oog te hebben voor de belangen van den arbeid en voor de algemeene volkswelvaart.
De wereld mòest wel tot die erge uitwassen komen, omdat ze—en dat is de diepste oorzaak van hare afdwalingen—omdat ze geloofd heeft in de orde-scheppende kracht van wat Quadragesimo Anno noemt “het verderfelijke individualisme”, “den onheilvollen individualistischen geest”.
Met terzijdestelling van ’s menschen maatschappelijke bestemming, met volstrekte miskenning van de christelijke zedenwet, werd de leuze geheven, dat de enkeling zich voor het sociaal-economisch leven in al zijn tendenzen en strevingen moest kunnen uitleven. Noch de economie, noch de maatschappelijke ordening, noch de staatkunde mocht daaraan eenige belemmering in den weg leggen. En sinds de Fransche revolutie heeft de werkelijkheid zich naar die leuze gezet: de staat onthield zich vele jaren lang van wettelijk ingrijpen; in den maatschappelijken opbouw werden alle groepeeringen tusschen den staat en de individuen weggeslagen; in het economisch doen en laten werd den mensch de mogelijkheid gegeven om nog alleen te luisteren naar hetgeen ’t brute eigenbelang hem ingaf. Met andere woorden, het individualisme kreeg de hem passende werkingssfeer, die Quadragesimo Anno aanduidt als “den onbelemmerden concurrentiestrijd”, “de vrije concurrentie”.
En wanneer men dan nog bedenkt, dat dit individualisme, omgeven door die vrije concurrentie, in den loop der jaren van den enkeling is overgeslagen op allerhande combinaties, vooral in het productie-proces en in het bankwezen, en ook op volkeren in hun tendenzen en onderlinge verhoudingen, en dat deze beginselen nu reeds over de honderd jaren lang, meer en minder, hun ontwrichtend werk konden voortzetten, dan kan het toch niet meer verwonderen, dat we thans met de algemeene volkswelvaart zoo hopeloos in het moeras zitten.
“Een behoorlijke regeling van het economisch leven kan niet worden overgelaten aan de vrije concurrentie”, zegt Quadragesimo Anno; “zij kan onmogelijk een leidraad zijn voor het economisch leven” (87).1
Het is goed zich deze waarheid duidelijk te realiseeren en daarom acht ik het nuttig nog even het licht van de encycliek te laten gaan over de geesten, die door dat individualisme en die onbegrensde vrijheid van beweging over het sociaal-economisch leven zijn opgeroepen.
Aan de christelijke normen, aan rechtvaardigheid en naastenliefde is verzaakt; de ongeregelde hartstochten, waardoor de mensch zich als gevolg van de erfzonde zoo gemakkelijk laat meeslepen, hebben haar plaats ingenomen. Vandaar die onverzadigbare winzucht, die de menschen wel altijd er toe gebracht heeft Gods wetten te verkrachten en de rechten van den evenmensch te vertreden, maar die de menschelijke zwakheid toch nooit zoo in verleiding bracht als onder het individualisme en de vrije concurrentie. In den dienst van dit winstbejag worden alle middelen heilig geacht. Zelfs om de belangen der onsterfelijke zielen bekommert het zich niet; want velen vragen zich niet af, “of hun bedrijf in gepaste behoeften voorziet”, en schrikken er niet voor terug “onbeschaamd de menschelijke hartstochten te prikkelen, (de genot-, gemak- en weeldezucht) en die te misbruiken ten eigen bate” (104) en “terwijl de levenlooze stof veredeld de fabriek verlaat, worden de menschen daar bedorven en boeten er aan zedelijke waarde in.” (105).
Met dat al heeft de economie haar sociaal karakter verloren en haar wezenlijk doel verloochend. Zij heeft opgehouden een natuurlijke samenwerking en ineenpassing te zijn van ondernemingen en bedrijven in den dienst van de gemeenschap, voor de redelijke behoefte-bevrediging. Zij is Privatwirtschaft, Erwerbswirtschaft, Rentabilitätswirtschaft geworden: zij is principiëel een dooreenwarreling van losse eenheden, die ieder voor zich “alleen maar bekommerd zijn om de vraag, hoe zij haar rijkdommen kunnen vergrooten” (blz. 104).
Van de economische worsteling, waartoe dat alles leiden moest, zijn de zwakken het slachtoffer geworden. De winst-economie heeft veel rijkdom in de wereld gebracht, overvloed van stoffelijke goederen, maar “het feit alleen van die onafzienbare drommen proletariërs naast een kleinen kring van onmetelijk rijken, is dat niet het meest onweerlegbare bewijs, dat de rijkdommen volstrekt niet behoorlijk verdeeld zijn en aan de verschillende klassen der maatschappij in allesbehalve juiste verhouding zijn ten goede gekomen?” (77).
En niet alleen, dat de rijkdommen zich hebben opgestapeld bij weinigen, maar ook—op dit jongste aspect van de economische ontwikkeling bijzonder karakteristiek—ook ‘n ontzaggelijke macht, een despotische economische heerschappij heeft zich samengetrokken in de handen van enkelen. In den onbeperkten concurrentie-wedloop namelijk hebben vele ondernemingen en banken het moeten opgeven. Tenslotte zijn nog slechts enkele reusachtige ondernemingen en banken staande gebleven, die door kartelleering, trustvorming, bankconcentratie heel de productie en het crediet overheerschen en op dictatoriale wijze voorschrijven, hoeveel er zal geproduceerd, en tegen welken prijs de goederen zullen verkocht worden, onder welke condities de credieten zullen verstrekt worden en welke ondernemingen voor dat crediet in aanmerking zullen komen. En bij dat alles laten die machthebbers zich niet leiden door bezorgdheid voor de belangen van den arbeid, van de industrie of van het algemeen welzijn, maar door het winsteffect.
Zij schrikken er zelfs niet voor terug om het staatsgezag, dat “vrij van alle partijdigheid, en alleen bedacht op het algemeen welzijn en de rechtvaardigheid, als een koning en opperste scheidsrechter hoog moest tronen” (93), om dat staatsgezag onder hun invloed te brengen en ondergeschikt te maken aan hun individualistische winstdoeleinden.
Laat ik tenslotte alleen nog dit vermelden: op de maatschappelijke orde kon een zoo totale economische ontwrichting moeilijk een anderen terugslag hebben dan Quadragesimo Anno aangeeft met de woorden: “de inrichting van het maatschappelijk leven is gewelddadig en daardoor onbestendig en wankel”. Door het individualisme en het beginsel van de vrije concurrentie zijn de organen weggeslagen, die tijdens de middeleeuwen de maatschappelijke orde droegen, maar door het winstbejag en zijn economische gevolgen staan patroons en arbeiders bovendien als “klassen” vijandig tegenover elkaar. Omdat de productiefactor arbeid als een koopwaar is geworden, onderworpen aan de wet van vraag en aanbod. Dit heeft de zoogenaamde arbeidsmarkt gesplitst in twee partijen, die tot vijandschap en strijd geneigd zijn.
Ziedaar, waartoe de ongeregelde winzucht in de sfeer van het individualisme en van de vrije concurrentie heeft geleid. Dààr is de laatste oorzaak van de verschrikkelijke ontreddering, die wij thans in de beschaafde wereld aanschouwen en doormaken. Het is onlangs nog eens opnieuw gezegd door den jongsten zendbrief uit het Vaticaan, Caritate Christi compulsi. Met deze woorden: “Is niet de drift naar vergankelijke goederen door den heidenschen dichter als ‘gevloekte gouddorst’ gebrandmerkt; is niet dat vuige eigenbelang, dat maar al te vaak de eenige drijfveer is bij het behartigen van de noodwendigheden, zoowel van de individuen als van de staten onderling; is niet de begeerlijkheid, onder welken naam of onder welken vorm zij zich ook voordoet, de voornaamste oorzaak, waardoor wij met deernis het menschdom aan den rand van den afgrond gebracht zien?”
Er is bijgevolg voor den wederopbouw van de wereldeconomie meer noodig dan schrapping van schulden en vermindering van bewapening, hoe gewichtig en dringend ook dit werk moge zijn.
Dit inzicht moet zich in dezen benarden tijd algemeen en helder vestigen, op de eerste plaats onder degenen, aan wie de encycliek Quadragesimo Anno als erfdeel is toevertrouwd; tevens moeten met beleidvol, maar energiek doorzettingsvermogen de consequenties van dit inzicht worden getrokken.
De onmiddellijke toekomst is voor de sociaal-economische orde, nationaal en internationaal, een zeer gewichtige tijd; het moet en het zal een tijd zijn van daden. En dan moeten wij, katholieken, met allen, die de taal van de gezonde rede verstaan, er bij zijn, zooveel mogelijk de leiding nemen, opdat de te stellen daden van dien aard zouden worden, dat een keerpunt en een verantwoord keerpunt in de geschiedenis wordt gemaakt.
Eénsgezind optrekken
Met het oog op die komende en op handen zijnde daden, acht ik het een verblijdend feit, dat Quadragesimo Anno den grond heeft ontnomen aan de disputen van economischen en maatschappelijken aard, die de katholieken de laatste jaren hebben beziggehouden.
De gedachtenwisseling betrof vooral het tegenwoordige sociaal-economische systeem, aangeduid als “het kapitalisme”, het eigendomsrecht, het arbeidslooze inkomen of de kapitaalrente en den arbeid, die naar de meening van sommigen de eenige rechtmatige titel was voor eigendomsverwerving.
Het is niet de bedoeling—en het is ook niet mogelijk—hier op deze strijdvragen in te gaan, noch ook de betrekking hebbende leeringen van ’s pausen sociale encycliek te verklaren.
Laat ik in het algemeen opmerken, dat door Quadragesimo Anno in genoemde punten niet worden aanvaard de radicale opvattingen, die—in het voetspoor van den bekenden publicist en voorvechter baron von Vogelsang—daaromtrent zijn verkondigd door de zoogenaamde Neue Wiener Richtung of Nieuwe Oostenrijksche school met Eberle, Lugmayer, Horvath, Orel, Ude, Landmesser, Wiesinger als markantste vertegenwoordigers.
Ik acht het verheugend, dat door ’s pausen zendbrief aan genoemde disputen de grond is ontnomen.
Want vooreerst brachten deze controversen een verdeeldheid, die niet meer tot de wetenschappelijke beoefenaars van de sociale economie beperkt bleef, maar reeds was afgezakt tot de menschen van de daad. En dit zou op den duur ons practisch werk zeer verwarrend en verlammend hebben beïnvloed; terwijl wij voor de naaste toekomst niets zoozeer noodig hebben als krachtig, doortastend en dus eendrachtig stuwen naar maatschappelijken opbouw en economische hervorming.
Daarbij komt nog, dat deze twistvragen, zeker voor een groot gedeelte, de aandacht afleiden van wat voor deze tijden het eerste en voornaamste is.
Ik wil volstrekt niet beweren, dat problemen als het eigendomsrecht, de rechtmatige titels tot eigendomsverwerving, de beteekenis van den arbeid, de kapitaalrente, het arbeidsloon op zichzelf minder gewichtige vraagstukken zijn; of dat wij in deze punten de bestaande orde van zaken voorloopig maar moeten handhaven of op haar beloop moeten laten. Neen, de menschen van de wetenschap en de sociale werkers moeten ook in dezen noodtijd aan dat stukwerk te gelegener tijd de volle aandacht schenken. Maar juist omdat dit stukwerk is, omdat het rechtstreeks niet de maatschappij in haar geheel betreft, maar slechts particuliere belangen, belangen van groepen en individuen raakt, daarom mag dat werk voor dezen tijd niet op den voorgrond staan. De wereld is thans in barensweeën; een nieuwe maatschappelijke orde wordt verwacht; aan de bespoediging en den goeden afloop van die geboorte hebben wij voor de naaste toekomst allen onze eerste en beste krachten te wijden. Te meer, omdat de leeringen van Quadragesimo Anno over eigendomsrecht, arbeidsloon, verlossing uit het proletariaat door een billijker verdeeling van de aardsche goederen nooit beter en vollediger door te voeren zijn dan in het raam van de herstelde maatschappelijke orde.
Aan dit laatste thema moet dan ook in dezen tijd aller aandacht, zoowel theoretische als practische, op de eerste plaats worden geschonken.
De pauselijke zendbrief zelf oordeelt daar niet anders over. Want nadat de leeringen over genoemde twistpunten zijn gegeven, leidt de encycliek hare uiteenzettingen over het herstel van de maatschappelijke orde in met deze woorden: “Wat wij tot dusver hebben uiteengezet over een billijke verdeeling der aardsche goederen en over de rechtvaardige loonen, heeft betrekking op de individuen en raakt slechts indirect de sociale orde. Maar juist op het herstel dier orde volgens de beginselen eener gezonde wijsbegeerte en op hare vervolmaking volgens de verheven leer van het evangelie was al het denken en doen van onzen voorganger Leo XIII gericht”, (blz. 83).
Over dit voornaamste leerstuk, het kernthema van Quadragesimo Anno, moet ik nu enkele gedachten laten gaan.
Naar maatschappelijk herstel
Het is bekend, wat de encycliek bedoelt met “het herstel der maatschappelijke orde”.
Tweeërlei behoort daartoe: iets, dat betrekking heeft op den uitwendigen vorm, op de structuur, de belichaming; en iets, dat slaat op den geest, de bezieling.
Betreffende den vorm verlangt de encycliek, dat de organische gedachte van de middeleeuwen zal herleven: tusschen den staat en de individuen moeten bedrijfschappen worden ingericht voor de regeling van het maatschappelijk en economisch leven en dat wel op den grondslag van het publieke recht.
De geest, die deze organen aan haar doel moet doen beantwoorden, die de ziel moet zijn van de betrekkingen tusschen de leden van één en hetzelfde orgaan en van de verhoudingen tusschen de organen onderling en tot het geheel, kan geen andere zijn dan de geest van het christendom, meer bijzonder van de sociale rechtvaardigheid en van de sociale liefde.
De hervorming van instellingen en de verbetering der zeden vormen te zamen de herstellende maatschappelijke orde. Zij zijn van elkaar niet te scheiden. Reeds in de encycliek Rerum Novarum stonden ze bijeen: “Als de maatschappij genezing zoekt”, schrijft Leo XIII, “kan zij die alleen vinden in den terugkeer tot het christelijk leven en de christelijke instellingen.” (blz. 27).2
De hernieuwing der zeden is middel om de instellingen in haar opzet te doen slagen; zonder den vasten ondergrond van de christelijke zeden zijn ze “een gebouw, dat op het losse zand is gebouwd”, zijn ze even vloekwaardig en evenzeer tot mislukking gedoemd als het individualisme en de vrije concurrentie van de tegenwoordige samenleving.
Maar ook het omgekeerde is waar: omdat de mensch een sociale natuur heeft, zichzelf als enkeling ongenoegzaam is, de volle ontplooiing van zijn persoonlijkheid alleen in en door de maatschappij kan bereiken, om die reden moet de hervorming van instellingen worden gebruikt als middel om te kunnen komen tot de verbetering van de maatschappelijke zeden.
Vorm en geest zijn bijgevolg op elkaar aangewezen, moeten te zamen haar beslag krijgen.
Er kan dan ook geen enkele steekhoudende reden worden aangevoerd om nog te wachten met de invoering van de nieuwe maatschappelijke organen. Integendeel, juist omdat we met het individualisme in de vrije concurrentie en het ongeregelde winstbejag nu eindelijk zijn gekomen tot aan den rand van den afgrond, is de hervorming van instellingen nationaal ontegenzeggelijk het meest urgente punt van sociale politiek.
Deze bewering kan met de eigen woorden van Quadragesimo Anno worden onderstreept, aldus: “het voornaamste doel, het voornaamste streven van den staat en van alle invloedrijke burgers moet daarop gericht zijn den strijd der “klassen” te doen eindigen, en een eendrachtige samenwerking van “bedrijfschappen” in het leven te roepen en in de hand te werken.” (blz. 84).
Onnatuurlijke Staatsbemoeiing
Dat wil niet zeggen, dat wij het zoogenaamde kleinwerk op het gebied van de sociale wetgeving moeten stopzetten. Vooral bij de hachelijke, onhoudbare economische toestanden van tegenwoordig roepen de bedreigde maatschappelijke groepen terecht om de tusschenkomst van den staat, omdat de staat het eenige gemeenschapsorgaan is, dat nog verlichting in den nood kan brengen, of althans kan beproeven.
Maar wanneer nu die intensieve, ik zou willen zeggen peuterige, kleinzielige staatsbemoeiïng, gelijk Europa die tegenwoordig aan den dag legt, wanneer die staatsbemoeiing eens wordt genomen uit het verband van dezen tijd, en op zichzelf wordt beschouwd, moet dan niet worden toegegeven, dat we ons met de sociale en economische politiek op dwaze en onmogelijke wegen bevinden?
Het is den laatsten tijd meerdere malen gebeurd, dat harde woorden, ontevreden uitingen gericht zijn aan het adres van de regeering: haar maatregelen kwamen te laat, of waren niet doortastend, doeltreffend genoeg, enz. Maar hebben die personen er ook ooit aan gedacht, dat een dergelijk staatsingrijpen, gelet op den natuurlijken gang van zaken, eigenlijk ver ligt buiten de grenzen van zijn kunnen en van zijn bevoegdheid? De staat mòet in het op die wijze behartigen van dergelijke aangelegenheden te kort schieten, omdat hij van nature tot dat werk niet geschikt is en niet is geroepen.
De geschiedenis herhaalt zich: we zijn met de sociale en economische politiek in mercantilistisch vaarwater terecht gekomen. Alleen in het verband van het historisch-gewordene en van dezen uitzonderlijken tijd kan en moet dat worden gerechtvaardigd. Hoe eerder evenwel met deze onnatuurlijke ontwikkeling kan worden gebroken, hoe beter. Alleen “de hervorming van instellingen” kan hier uitkomst bieden. We moeten zoo spoedig mogelijk terug naar de practijk van dit beginsel uit de sociale wijsbegeerte: De staat is er om het kunnen van zijn onderdanen aan te vullen, niet om hen te verdringen uit de activiteit, waartoe zij hetzij individueel, hetzij in kleinere groepeeringen bij machte zijn.
Op dit “onwrikbare” beginsel doet ook Quadragesimo Anno een beroep, als het de ontwikkeling, die de staatszorg heeft genomen, misprijst met deze woorden:
Het in allerhande groepeeringen… ontwikkelde sociale leven… (is) vernield… nagenoeg uitsluitend individuen en de staat zijn overgebleven, tot niet gering nadeel van den staat zelf, die… (nu) alle lasten op zich moest nemen, welke vroeger gedragen werden door die ten gronde gerichte groepeeringen, met het gevolg, dat de staat door een bijna eindeloze reeks van zaken en aangelegenheden overstelpt en overladen wordt… Het staatsgezag moet de aangelegenheden van minder belang, die het bovendien al te zeer in beslag zouden nemen, overlaten aan lichamen van lageren rang; dan zal het ook vrijer, krachtdadiger en met meer succes al die zaken kunnen behartigen, waarvoor alleen het staatsgezag competent is. (83/84).
Hoog-kapitalisme
Onze tijd dringt om nieuwe maatschappelijke organen. De encycliek Quadragesimo Anno laat zich met bijzonder snijdende woorden uit over de karakteristieke verschijnselen van het hoog-kapitalisme: het N.V.-wezen, de trust- en kartelformaties en andere vormen van concentratie: “Een despotische economische heerschappij heeft zich samengetrokken in de handen van enkelen, …, zij regelen als het ware den bloedsomloop van heel het economisch organisme, en hebben om zoo te zeggen het economisch leven zoozeer in hun macht, dat tegen hun wil niemand zelfs maar kan ademhalen.” Onder den invloed van deze machtsformaties is “heel het economisch leven, op afschuwelijke wijze, hardvochtig geworden, onmeedoogend en wreed”. (92/93).
Deze inderdaad scherpe aanklacht mag niet worden beschouwd als een verwerping van het N.V.-wezen, of van industrieele en bankconcentratie als zoodanig; zij richt zich tegen den geest, die deze beweging kenmerkt en tegen de wijze, waarop die beweging zich feitelijk heeft ontwikkeld.
Inderdaad, het is van algemeene bekendheid, dat bij deze machtsformaties tenslotte niets anders voorzit dan het maken van winst, gelijk reeds eerder werd opgemerkt, en dat men vaak voor geen middelen terugschrikt om die machtsposities te vestigen, te handhaven en uit te breiden. Wat den laatsten tijd is bekend geworden rondom de gebroeders Sklarek en rondom Kreuger & Toll is hiervan slechts een bevestiging geweest…
Tot het herstel nu van de maatschappelijke orde behoort ook het breken van deze economische dictatuur; ja zelfs dat behoort er bijzonder toe, omdat die dictatuur thans de meest leidende positie heeft over het economisch leven.
Het is dan ook juist daar, waar Quadragesimo Anno het herstel van de maatschappelijke orde uitwerkt, dat men in de encycliek deze rake zinsneden aantreft: Veel minder nog dan aan de vrije concurrentie kan de regeling van het economisch leven worden toevertrouwd “aan de economische dictatuur…. want zij is bruut en blind geweld, dat, om heilzaam te kunnen werken voor het menschdom, krachtig beteugeld en verstandig geleid moet worden; maar zichzelf beteugelen en leiden, daartoe is zij niet in staat. Om deze dictatuur krachtig en volkomen te beheerschen, worden hooger en edeler machten vereischt: namelijk sociale rechtvaardigheid en sociale liefde”, (blz. 87).
En ik heb reeds eerder opgemerkt, dat de christelijke geest als middel om zich te vestigen moet hanteeren “de hervorming van instellingen”, de publiekrechtelijke bedrijfschappen.
Bijgevolg ook om de economische dictatuur te breken, vraagt onze tijd dringend om nieuwe maatschappelijke organen. Eigenlijk moesten die organen nu reeds gevestigd zijn, om bij de toekomstige reconstructie een rol van beteekenis te kunnen vervullen.
De economische crisis zal niet eindigen zonder geducht te hebben huisgehouden onder de instellingen, waardoor de economische dictatuur wordt gedragen. Er is reeds heel wat waarde vernietigd, heel wat expansiezucht gekortwiekt. Het mag in de toekomst niet meer mogelijk zijn, dat die machtsformaties in haar voormalige kracht en omvang herleven, of worden gecontinueerd. Dergelijke reuzencombinaties overschrijden eenvoudig de grenzen van het beperkte menschelijke kunnen. Er is geen enkele menschelijke geest, geniaal genoeg om dergelijke formaties te overzien, te controleeren, te beheerschen en dus is niemand in staat om de verantwoordelijkheid voor die scheppingen te dragen, afgezien nog van het door de ervaringampelijk bewezen feit, dat de zwakke menschelijke wil niet blijvend is opgewassen tegen de gouddorstige verleiding, waarin hij door die machtspositie voortdurend verkeert.
Het bedrijfswezen moet bijgevolg vereenvoudigd worden; aan de kapitaliseering moet paal en perk worden gesteld.
Hier is weer alleen uitkomst te verwachten van de hervorming van instellingen, de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, nationaal opgetrokken en door internationale overeenkomsten voltooid. Zeker, het is geen kleinigheid, wat hier in enkele woorden wordt geprojecteerd. Maar juist omdat er zoo ontzaglijk veel en grootsch werk is te doen, is het zoo hoog tijd, dat eindelijk eens de eerste stap wordt gezet.
Er is bijgevolg meer dan één dringende reden om het in behandeling nemen van het wetsontwerp-bedrijfsraden van minister Verschuur met ongeduld te verbeiden. Dat zich daarbij een herhaling zal voordoen van de pachtwet-geschiedenis, is na al hetgeen daarover in den partijraad en in de katholieke pers te doen is geweest, wel niet meer te vreezen. Hopelijk ook zal het instituut, eenmaal werkelijkheid geworden, zich voorspoedig ontwikkelen; want in het raam van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie gelijk Quadragesimo Anno die bedoelt, maakt het wetsontwerp-Verschuur niet meer dan een zeer bescheiden begin. Mijns inziens ligt voor de naaste toekomst hier, dat wil zeggen in de vestiging van de bedrijfsraden-Verschuur en in hun ontwikkelingsgang naar volledige publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, het voornaamste terrein van werkzaamheid, ook en vooral voor het R.K. Werkliedenverbond in Nederland.
De strijd der klassen
Het Verbond zal daarbij vooral ook naar eigen kring de oogen hebben te richten.
In Quadragesimo Anno wordt namelijk in zeer nadrukkelijke en krachtige bewoordingen een bepaalde gezindheid afgewezen als zijnde een struikelblok voor de totstandkoming van de nieuwe maatschappelijke organen. “Het voornaamste doel, het voornaamste streven van den staat en alle invloedrijke burgers moet daarop gericht zijn den strijd der ‘klassen’ te doen eindigen en een eendrachtige samenwerking van “bedrijfschappen” in het leven te roepen.” (bl. 84). En na er op gewezen te hebben, dat werkgevers en werknemers op de arbeidsmarkt als vijandige machten tegenover elkaar staan, vervolgt de encycliek: “Dat dit verschrikkelijk euvel, dat heel de maatschappij naar den afgrond sleurt, zonder uitstel moet worden weggenomen, is voor eenieder duidelijk”, (blz. 85).
De georganiseerde arbeiders hebben in het verleden vaak door strijd en vinnigen strijd hun rechten moeten veroveren. Het spreekt vanzelf, dat deze strijdmethode niet zonder invloed is gebleven op de geesteshouding van de elkaar bestrijdende klassen. Uit het veelvuldig strijden moet noodzakelijk een strijdmentaliteit ontstaan, moet een verbitterde stemming voortkomen, de opvatting post vatten, dat de arbeiders hun rechten alleen kunnen krijgen door ze te bevechten.
Het is wel duidelijk, dat de groepen, als zoodanig, tot opbouw van het maatschappelijk organisme niet erg geschikt zijn.
Meer nog dan in het verleden zullen de maatschappelijke groepen dan ook in de toekomst beducht moeten zijn voor de strijdmethode. Niet dan in het geval van “uiterste noodzaak” zal men nog tot den strijd zijn toevlucht mogen nemen om de gezindheid niet te schaden, die patroons en arbeiders moet samenbrengen tot de bedrijfschappen.
Het is zoo natuurlijk, dat iemand, die een doel wil verwezenlijken, voor den geest neemt, wat hij in het verleden heeft moeten doen om soortgelijke doeleinden te bereiken.
En toch, wij moeten in deze het verleden vergeten, de oogen alleen nog richten naar de toekomst, naar het groote doel, de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, waarheen van nu af onze beste krachten moeten worden gericht.
Het versterken van de goede geesteshouding, het aldoor verder afbrokkelen van de strijdmethode zal tevens baat vinden bij deze gedachten uit Quadragesimo Anno:
Vooreerst: het is een grove leugen te beweren, dat patroons en arbeiders van eenzelfde bedrijfschap tegenstrijdige belangen hebben: zij bezitten gemeenschappelijke belangen, want zij werken samen in hetzelfde bedrijf, aan de totstandkoming van een en hetzelfde product, en zij moeten beiden uit de opbrengst van dat product leven: zij zijn dus op elkaar aangewezen en beiden geïnteresseerd bij den bloei van het bedrijf.
Vervolgens: patroons en arbeiders van alle bedrijven zijn beiden evenzeer en op dezelfde wijze schuldenaars van het algemeen welzijn en zij moeten deze schuld inlossen door harmonisch samen te werken voor de algemeene volkswelvaart.
Tenslotte is er nog de groote wet van de liefde, die het aangedane leed doet vergeten en vergeven, die alle menschen ziet als leden van één groot gezin en kinderen van denzelfden Hemelschen Vader; die het besef wekt, dat allen één lichaam zijn in Christus en ledematen ten opzichte van elkander, zoodat, wanneer één lid lijdt, alle leden mede lijden. (blz. 85 en 107).
Daden
Wat is het toch een onwaardeerbare weldaad, dat God ons door de H. Kerk in dezen hachelijken en verwarden tijd de encycliek Quadragesimo Anno heeft gegeven. Wij weten nu, wat wij moeten willen; wij kennen den weg, dien wij moeten gaan. Wij, katholieken, kunnen eensgezind optrekken en wij móéten dat ook doen in energieke voortvarendheid. Juist omdat wij zoo goed en zoo zeker weten, wat er moet gebeuren om de ontredderde wereld sociaal-economisch gezond te maken, juist daarom zijn wij verplicht hier zooveel mogelijk de leiding te nemen en in sterke eendracht te stuwen naar daden. De tijden zijn te ernstig om onszelf te verliezen in theoretische disputen of langdurige beraadslagingen en bezinningen. Daden en nog eens daden!
En dit te meer, omdat de tegenwoordige wereld niet alleen sociaal-economisch dreigt ineen te storten, maar ook godsdienstig-zedelijk op zoo wraakroepende wijze is ontaard.
Stoffelijke nood is erg; maar veel erger nog is het, dat in deze heidensche wereld zoovele zielen verloren gaan.
Intusschen, willen wij het arbeidende volk godsdienstig-zedelijk behouden en terugvoeren, willen wij het vaster binden aan de katholieke Kerk, dan mogen we zeker ook niet nalaten sociaal-economisch werkzaam te zijn en te grijpen naar daden.
Er is de laatste jaren onder de jongeren uit alle rangen van ons katholieke volk zoo’n heerlijk enthousiasme losgeslagen voor de zaak van Christus. Laten wij, die dit enthousiasme waardeeren en aanmoedigen, maar niet meer in hun rijen kunnen meetrekken, laten wij met koppige vasthoudendheid blijven dringen naar sociaal-economische daden, in de overtuiging, dat ook dit werk indirect ten goede komt aan het behoud en de redding der zielen.
Zoo zijn en blijven beiden, ouderen en jongeren, door ons werken en streven: apostelen van Christus Jezus.
HOEVEN, PROF. DR. W. KOENRAADT
De cijfers in den tekst geven de desbetreffende bladzijde aan van de vertaling, die het R.K. Werkliedenverbond van de Enc. Rerum Novarum en Quadragesimo Anno heeft uitgegeven.
In onze vertaling staat hier: “het christelijk leven en de christelijke leer!” Dit moet zijn: “het christelijk leven en de christelijke instellingen”. (Bestuur R.K.W.V.)

