In zijn boek Die geistige Welt der Germanen zocht de beroemde nederlandse taalkundige Jan de Vries (1890–1964) naar het ware wezen van de Germaanse mens. Wat drijft ons soort mensen? Anders dan de Mediterrane ziel die zich onder het Romeinse Rijk vroeg schikte naar van bovenaf opgelegde normen, verzette de Germaanse mens zich tegen zulke slaafse onderwerping. De Germaan wilde zijn innere zelf kunnen uitdrukken én de uitkomst daarvan in de wereld terugvinden. In dit artikel vat ik een deel van De Vries’ inzichten over onze voorouders samen.
De alledaagse held
De Germaanse mens werd gedreven door een mannelijke heldhaftigheid, waarmee hij zijn eergevoel en die van de familieclan dagelijks moest verdedigen tegen aanvallen en beledigingen. Naast de deugden van de held schuilen ook de ondeugden die bovendrijven wanneer de deugden tot in het uiterste worden doorgetrokken. Moed ontaardt gemakkelijk in overmoed. Ook scherpzinnigheid kan doorslaan tot een sluwheid die door een schijn van fatsoen gescheiden blijft van gewone leugenachtigheid.
Vooral de Vikingtijd, een periode van spirituele richtingloosheid, tekende zich door mannen van een dubieus karakter. De held werd avonturier en vertoonde soms de trekken van de landsknecht. De Viking uit Ragnars saga loðbrókar doorkruiste onophoudelijk de zeeën om buit te vergaren zonder ooit een doel te bereiken. De karikatuur van deze tijd was de berserker, zoals die in de Víga-Glúms saga belachelijk wordt gemaakt. Glúm is een IJslandse tiener die zijn oom Vigfúss bezoekt in Noorwegen, maar deze oom gunt zijn neefje in eerste instantie geen gram respect. Pas wanneer Glúm zich tegenover de berserker bewijst en deze de tent uit werkt, wint de jongen het respect van zijn clan en treedt hij deze als volwaardig lid toe.
De slimme man moest zich steeds wapenen tegen de listen van zijn vijanden. De rechtsgang op de “ding”-plaatsen was een wedstrijd in sluwheid. List werd hoog gewaardeerd, zoals in de verhalen over de oorlogskunsten van Harald Hardråde (“de harde heerser”) in dienst van de Varangiaanse garde van de Byzantijnse keizer. Men had weinig medelijden met wie zich liet overtroeven, evenmin met wie in de strijd ten onder ging. Ook de Hávamál beveelt sluwheid jegens vijanden aan: spreek vriendelijk, denk echter valse dingen en betaal bedrog terug met bedrog.
Het ideaalbeeld van de held gold niet zomaar voor de gemiddelde mens. De Germaanse boer was een tevreden mens. Hij was gesloten, zwijgzaam en soms wantrouwend. De worsteling met een schrale natuur dwong hem tot een sober leven. Wie een volledig beeld van de voorouders wil, moet daarom beide zijden in acht nemen. Het is onjuist het verheven heldenideaal op het gehele volk te projecteren. De boer moest zijn grond met het zwaard kunnen verdedigen, maar de hand die de ploeg aanstuurde maakt het leven eerst mogelijk. De IJslandse familiesaga’s zijn daarom waardevol, want zij laten ons afdalen in de nuchtere feitelijkheid.
De oorsprong van de Germaanse staat
De moderne Duitse staat werd pas gesticht in het jaar 1871, en de Nederlandse officieel in 1813, maar Germaanse landen zoals ook Zweden en Engeland kenmerken zich nog altijd door dit feit dat gewone mensen zich in de eerste plaats niet als een lukraak anoniem territorium ervaren, maar als volk ontstaan uit bloedverwanten. Dat blijvende verschil tussen bloedverwantschap en paspoortstaat heeft te maken met de lange ontstaansgeschiedenis van Germaanse landen.
De Germaanse mens was geen ongebonden individu. Hij bestond slechts als lid van de familieclan, de verwantschapsgroep die levenden en doden tot één gesloten keten verbond. Binnen deze kring heerste vanzelfsprekende vrede, maar daarbuiten golden vreemdeling en vijand als synoniemen. Een kind verwierf bestaansrecht wanneer de vader het op de knieën nam, het een naam gaf en het in de gemeenschap opnam. Wie buiten de clan viel werd niet als mens gezien. Blootstelling aan de wilde natuur gold dan niet als moord. Net als bij de Spartanen lieten de Germanen hun ongewenste of zwakke babies aan de wolven of de kou over.
Wie in de familieclan werd opgenomen moest de familie-eer zijn leven lang verdedigen. Daaruit volgde de noodzaak tot bloedwraak. Een doodslag was geen individueel misdrijf dat de morele wereldorde schond, maar een verzwakking van de ene clan en een versterking van de andere. De slavin in de Hrafnkels saga die Hrafnkell tot de moord op Eyvind aanzet, illustreert dit collectieve denken. De slachtofferclan stond als gesloten eenheid tegenover de daderclan. Het ging niet om een afrekening tussen individuen, maar om het herstellen van een denkbeeldig evenwicht tussen twee families, desnoods door een willekeurig lid van de tegenpartij om te brengen. Wie de wraak naliet, tastte het merg van de eigen groep aan. Vrouwen dreven de bloedwraak het felst aan, omdat zij het nauwst verbonden waren met de cyclus van leven en dood. Het voordeel van de clan was dat een individu nooit alleen stond. De zekerheid dat clanleden elkaar te hulp zouden schieten maakte dat het individu in staat werd tot uiterst zelfverzekerd handelen.
Het bloedbroederschap vormde de eerste uitbreiding van de familieclan. Door onder een opgeheven zode in de aarde te stappen, zich te verwonden en het bloed met de grond te vermengen, daalden twee mannen af in de moederschoot van de aarde en werden herboren als echte broeders. Zo kon de familieclan worden uitgebreid met bloedbroeders die nu dezelfde plicht hadden de eer van hun pleegfamilie te verdedigen. In geval van moord of doodslag rustte de plicht tot wraak op de overlevende bloedbroeder even zwaar, zo niet zwaarder, omdat de band persoonlijker was. Het ‘pleegbroederschap’ (fóstbrœðralag) versterkte hetzelfde principe: het kind wat bij een ander werd grootgebracht nam een deel van diens karakter over en groeide eveneens op als lid van de adoptiefamilie.
Het Germaanse gevolg (comitatus, gesinde; een groep krijgers die een heer diende) overschreed de kring van het bloed- en pleegbroederschap. Als volgeling legde de krijger een eed af, legde daarbij zijn handen in die van de heer of zijn hoofd op diens knie. Daarmee beloofde hij onvoorwaardelijke gehoorzaamheid zoals eerder aan een familieclan. De heer verschafte onderhoud, wapens en deelde de oorlogsbuit. Zo’n geschenk was geen omkoping als bij een huurlig, maar onderdeel van de wederzijdse verplichting tussen heer en krijger. Deze band was vrijwillig: men koos de leider zelf en trad daarmee buiten de natuurlijke familieclan. Juist die vrije keuze en de persoonlijke loyaliteit maakten de verplichting strenger dan de vanzelfsprekende clanloyaliteit. Wie zijn heer in de strijd overleefde, bracht eeuwige schande over zichzelf en zijn geslacht, zoals Wiglaf in Beowulf de vluchtende deserteurs voorhoudt.
Tijdens de periode van de volksverhuizingen en Vikingtochten vielen veel traditionele familieverbanden vanzelfsprekend uiteen, waardoor de heer en zijn gevolg nu meer de nadruk kregen. De jonge mannen ver van huis — thegns of hagestolzen genoemd — maakten zich van hun clan los en verbonden zich aan een hertog. De runeninscriptie van Valsfjord (rond 500) noemt al een “hagustaldaR ÞewaR Godagas” (“Ik ben de krijger, Godags volgeling”). De Männerbund met haar vermogen tot onderwerping en gemeenschappelijk handelen leverde de staatsvormende kracht die de door vetes versnipperde clanstructuur ontbeerde.
De stam zelf rustte op verwantschap van familieclans, maar werd innerlijk door vetes ondermijnd. Romeinen speelden die tegenstellingen handig uit. Gemeenschapsgevoel bestond vooral tijdens de volksvergadering (bij het ding). Daarbuiten keerde de boer naar zijn hoeve terug. De vorst diende meer als middelpunt van zijn gevolg dan als herder van het gehele volk. De Oud-Noorse heldendicht viert de trouw tussen koning en gevolg, niet de band tussen vorst en volk. Grotere rijken zoals die van de Visigoten, Ostrogoten en Franken ontstonden pas onder invloed van Romeinse en christelijke universele denkbeelden. Het Germaanse element bleef zich hechten aan het gevolg: de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan een gekozen leider leverde het steunpunt waarmee vorsten hun macht ook tegenover het eigen volk konden laten gelden. Zo groeide de familieclan uit tot de territoriale staat, waarin ook etnisch vreemde elementen werden opgenomen.
De nieuwe staat bleef echter persoonlijk bepaald. De Frankische koning was rex Francorum (koning van de Franken), niet rex Franciae (koning van Frankrijk); de Engelse vorst was folces hyrde (“herder van het volk”), niet “vorst van Engeland”. Fylki en herað duidden oorspronkelijk het weerbare manschap aan, niet louter grondgebied. Het middeleeuwse rijk verbond deze persoonlijke opvatting met de Romeinse territoriale idee. Het feodale stelsel zette de persoonlijke loyaliteit voort. De Germaanse neiging tot particularisme (zichtbaar in de IJslandse vrijstaat, waar bloedwraak de eenheid ondermijnde) verklaart waarom een strak gecentraliseerde staat pas laat tot uiting kwam.
De Germanen schonken Europa niet primair het idee van de bureaucratische staat met landsgrenzen, maar de gedachte van persoonlijke vrijheid binnen zo’n staat. Tegen de verstikkende almacht van de laat-Romeinse staat stelden de Germanen de zelfstandige vrijheid van de mens tegenover. De familieclan, uitgebreid door bloedbroederschap en vervolgens overstegen door het vrijwillig gevolg, leverde de morele en organisatorische kern waaruit grotere politieke verbanden konden ontstaan, zonder dat de persoonlijke binding ooit volledig plaatsmaakte voor een onpersoonlijk territoriaal apparaat.
Heldhaftig gedrag
In de epiek van alle Germaanse stammen keert steeds dezelfde houding tegenover het onontkoombare lot terug. Men zou daarin een onderwerping kunnen zien die aan een amor fati grenst, een neiging het lot tegemoet te ijlen of het zelfs te anticiperen. Dat is een misverstand. De Germaanse held scheidt zich niet graag van het leven, waarvan hij de goederen te zeer bemint. Evenmin vreest hij de dood, want de dood betekent geen definitieve vernietiging, maar een terugkeer tot de voorvaderen.
Het past evenmin bij het Germaanse karakter dat de mens het lot lichtvoetig tegemoet treedt. Deze stemming spreekt uit het Eddische Hamðismál. De broers, door hun moeder tot wraak op Ermanarich aangespoord, herinneren haar aan het onheil dat haar wraakzucht al eerder heeft veroorzaakt. Zij weten dat ook hun dood vaststaat (door het lot voorbestemd) en sterven in den vreemde. Na reusachtige heldendaden liggen zij dodelijk gewond in de zaal van de Gotische koning. Het gedicht uit geen vreugde over de dood van de broers, noch predikt het een verachting van de dood, maar het volle bewustzijn van het offer dat ter wille van de eer gebracht moest worden. De nadruk ligt op de noodzaak om het lot op een mannelijke manier te ondergaan. Juist omdat de dood geen willekeurige wreedheid van het fatum is, maar de vervulling van het lot, kan de Germaanse mens de dood met een glimlach tegemoet treden. De Germaan wist dat hij daarmee het doel van zijn leven had bereikt.
In de oudere literatuur komt dit schertsen met de dood zelden voor. In het Walthariuslied wisselen Hagen en Walther, zwaar gewond, wrede grappen over hun verminkingen. Het werk van de monnik Ekkehard is echter geen onverdeeld betrouwbaar getuigenis van de oude heldenmoraal. In het oude Atlilied lacht Högni wanneer men hem het hart uitsnijdt. De dichter versterkt hier Högni’s heldhaftigheid door het contrast met de laffe kok. Högni zelf draagt iets demonisch. In het jongere Atlamál eist hij zelfs dat men hem het hart uitrukt omdat hij het geklaag van de dienaar niet langer verdraagt. Dat grenst aan een oneerbiedig spelen met het leven waartoe de Germaanse held zich niet makkelijk zou hebben laten verleiden.
De dood was ook voor de Germaanse mens een onheil. Aan de ene zijde stonden adem, zintuiglijke indrukken, scheppend werk, bezit, vrouw, kind en familieclan; aan de andere zijde het koude graf en de nevelige wereld der doden. De aanvaarding van de dood als noodlot rust daarom op een diep verborgen levensbesef. Er is een ogenblik waarop geen andere uitweg meer openstaat. Kiest men dan het leven, dan heeft men het leven zelf ontwaard. Vrije wil en noodlot komen hier samen. De volgelingen van Beowulf die hun heer in de steek lieten, bewijzen dat men tegen de eer in voor het leven kan kiezen. Wiglafs vloek klinkt des te vreeswekkender. De held kent instinctief het juiste antwoord: zijn vrijheid openbaart zich als belijdenis van een innerlijk gevoelde noodzaak.
De gedachte dat het opgelegde lot absurd zou zijn, komt in de Germaanse geest nauwelijks op. Toch kan de vraag opkomen: waarom zoveel lijden? Wanneer Hildebrand (in het Hildebrandslied) inziet dat de strijd met zijn zoon onvermijdelijk is, staart hem het Medusa-gezicht van een ogenschijnlijk zinloos fatum aan. Tegelijkertijd mag hij niet twijfelen aan de oplossing van de taak die hij moet voltooien. Ontrouw aan de heldenmoraal en weerloos sterven, alleen om zijn zoon te sparen, zou ook de zoon geen waardig leven schenken, omdat de oneer van de vader hem zou treffen. Het leven laat zich niet redden door te vluchten voor het lot.
Dat kan de moderne mens absurd vinden. Toch openbaart zich hier de diepte van het eergevoel. Wie het lot bevestigt omdat de eer het eist, is bereid tot de dood en heeft daarmee de zin van zijn leven vervuld. Daarom ontbreekt aarzeling. Hagen rijdt het Hunnenland binnen hoewel hem is voorspeld dat hij niet zal terugkeren. In het Atlamál roeien de helden met samengebeten tanden naar Atli’s land, wetend wat hen wacht; er is geen weg terug.
Deze wet heerst overal in de Germaanse wereld. De lotgedachte bereikt zijn hoogste ontplooiing in de heldendichtkunst, maar leeft even krachtig onder IJslandse boerengeslachten. Egill Skallagrímsson overwint de dood van zijn zoon in het gedicht Sonatorrek. Zijn zoon is verdronken, maar tegen de zeegodin Rán kan geen vete worden verklaard. Alleen het vaste besef van familie-eer en de kracht van de poëzie herstellen Egills levenshouding. Aan het slot van het gedicht zegt hij zijn eigen dood opgewekt en onverschrokken tegemoet te zullen zien.
Hier openbaart zich de aristocratische houding van de Germaanse mens. Hij wenst niet ieders lot, maar zijn eigen lot, namelijk het lot dat met zijn persoon en met zijn eer overeenstemt. Heldendom is in laatste instantie een morele grootheid. Bijna alle helden overwinnen door ten onder te gaan. Wat hen tot helden maakt is juist deze bereidheid tot de ondergang. Uiteindelijk beslist het karakter van de man, niet het toeval. Dat wij moderne mensen in onze eeuw de dood met behulp van medische zorg zo lang mogelijk willen blijven uitstellen, zegt alles over wie wij zijn geworden. Onze voorouders zouden ons onvergeeflijk laf en eerloos hebben genoemd.
Germaanse essentie
Het wezen van de Germaanse voorouder is alleen te begrijpen wanneer men voortdurend rekening houdt met zijn gemeenschapsgebonden karakter. De goden waren geen toonbeelden van abstracte deugden. Zij waren uit hetzelfde hout gesneden als de gewone mensen en handelden evenmin naar beginselen van „gij moogt” of „gij moogt niet”. De Germaanse mens gedroeg zich als lid van een gemeenschap die het individuele handelen verre oversteeg en was slechts jegens die gemeenschap verantwoording verschuldigd. Goed en kwaad vonden hun weerklank in de houding van de groep zelf. Vergelding geschiedde niet in een hiernamaals, maar tijdens het aardse leven.
Daarmee stemt de Germaanse voorstelling van het leven na de dood overeen. Hel is, evenals de Homerische onderwereld, een rijk van schaduwachtig bestaan, waarin goed en kwaad dezelfde staat delen, zoals in Nietzsches Jenseits von Gut und Böse. Vrees voor hellepijnen (waarin men niet geloofde) weerhield niemand van schandelijk gedrag. Medelijden gold slechts de eigen clan of het gevolg. Universele menslievendheid was ondenkbaar. Zorg voor behoeftigen en wezen was een ereplicht binnen de verwantschapskring. Men zorgde dus niet voor vreemden of hun kinderen. Zie ook hier weer het scherpe contrast met de moderne tijd: internationale adoptie en asiel voor vreemden waren ooit totaal onbekende begrippen.
Waar wij van „geloof” spreken, gebruikte de Germaanse mens het woord „zede” (siðr). Geloof veronderstelt persoonlijke belijdenis. De Germaanse mens kende geen kerk van gelovigen, maar alleen een gelovig volk. De jonge telg van de familie hoefde geen geloofsartikelen te bestuderen, maar volgde het voorbeeld van de ouders en voegde zich naar hun zede.
Het aardse leven was een taak die men mannelijk tot de laatste ademtocht moest volbrengen. Achter hem wenkte geen belofte van eeuwige zaligheid. Zelfmoord was zeldzaam, omdat het bloedwraak onmogelijk maakte. (Onze voorouders zouden ons zwaar hebben veroordeeld voor het praktiseren van euthanasie, zeker voor lichamelijk gezonde jonge mensen.) Zelfdoding kwam wel voor, zoals bij Germaanse vrouwen die zich op de brandstapel van hun echtgenoot wierpen als rituele handeling. En krijgsgevangenen kozen de dood boven slavernij (leaver dea as slaef). Maar levensmoeheid — “het gaat gewoon niet meer”— als motief was nauwelijks begrijpelijk.
De Germaans mens nam de wereld emotioneel in zich op en liet zich door de stroom des levens voortdragen, maar stond de kosmische machten actief en strijdbaar tegenover. Leven was, ook religieus, een voortdurende strijd. Deze strijdbare houding werd gescherpt door de harde natuur en, in de late heidentijd, door de confrontatie met het oprukkende christendom. De Vǫluspá, waarschijnlijk uit de kring van de Trondheimse jarls, geeft het heidendom een bijna filosofische grondslag, namelijk om te concurreren met het christelijke universalisme. Een definitieve uitdoving van de heidense zede is op dat moment nog ondenkbaar. Zelfs in Ragnarök gaat de wereld onder, maar rijst opnieuw, en groener, uit de vloed.
De Germaanse opvatting van persoonlijke vrijheid die zelfs binnen een strikt georganiseerde staat niet tot slaafse onderworpenheid kon worden herleid, is kenmerkend voor het Germaanse gevoelsleven. Het is niet zonder grond dat men van Goethes “Faustische mens” heeft gesproken, die in zijn aangeboren drang tot scheppend handelen dreigde de grenzen van zijn vermogen te doorbreken door de kracht van zijn wil. De Germaanse geest verzette zich tegen iedere hem opgelegde norm en streefde naar een zinvolle openbaring van het eigen wezen.
J.M. Koenraadt vertaalde het boek van De Vries uit het Duits in het Engels en is beschikbaar als The Spiritual World of the Germanic Peoples (2026).


